Intussen wordt er nog steeds gereanimeerd, onze inspanningen zijn weliswaar tevergeefs gebleken, het heeft echter de voorkeur pas te staken zodra familie geïnformeerd is.

De arts verheft zijn stem, de aandacht wordt gewekt. Hij legt uit dat we al lang reanimeren en het niet lukt het hart op gang te brengen. We zullen nog één keer het hartritme beoordelen. Als blijkt dat het hart wederom stilstaat zullen wij de inzet staken en zal hun vader overlijden. De sfeer verandert, familie gebied ons tot doorgaan. Prangende ogen kijken mij dreigend aan. Mijn twee minuten reanimeren zijn echter ruimschoots verstreken, met een vragende blik kijk ik naar de intensivist. Hij verzoekt familie hun vader los te laten voor de aangekondigde ritme controle. Ik stop de borstcompressie, gespannen volgen familieleden onze blikken. We zien op de monitor geen ritme, het hart doet niets… We staken de reanimatie en de man overlijd.

Zijn lichaam levenloos op de grond, compleet bedekt met tientallen hysterische, krijsende familieleden. Het slechte nieuws bereikt onmiddellijk de toegestroomde aanwezigen op de gang. De chaos lijkt dan compleet, uitzinnige mannen en vrouwen rennen schreeuwend over de afdeling. Hoofden worden tegen de muur gebonkt uit pure razernij. Kinderen kopiëren het onbeheerste gedrag van hun ouders. Je kan het ze niet kwalijk nemen, dit is het referentie kader waarmee ze opgegroeid zijn. Dan valt mijn oog op de hoogzwangere dochter welke al hyperventilerend bleker wordt, ze dreigt flauw te vallen. Ik leg haar snel op bed en onderwijl laat ik haar concentreren op de ademhaling, een harde klap volgt. Achter mij wordt Ellie, een afdelingsverpleegkundige, ruw tegen de kasten aan gedrukt. Dreigend buldert de oudste zoon dat zij verantwoordelijk is voor de dood van zijn vader. Hij schreeuwt zich te zullen wreken, zijn dreigement is huiveringwekkend.

De impact van de menigte op de gehele afdeling neemt ongekende vormen aan, patiënten drukken massaal de ‘zuster bel’ in. Mobiele patiënten zoeken hun toevlucht in het toilet en sluiten uit angst zichzelf op. Verpleegkundigen rennen heen en weer om al de onrustige patiënten tot bedaren te brengen. Krachtige armen pakken de agressieve zoon van achteren vast, de beveiliger houdt hem stevig in bedwang en behendig wordt Ellie weg gesluisd. Omwille van haar veiligheid moet zij noodgedwongen weg uit het ziekenhuis. Dan realiseer ik mij onmiddellijk dat vele medische hulpmiddelen potentiële ‘wapens’ kunnen vormen bij deze furieuze familie. Tussen alle commotie door verzamel ik de materialen en berg deze veilig op. Dreigend schreeuwt een vrouw mij de huid vol, de woorden gaan langs mij heen, tot ze grimmig brult: “Jullie denken, zo eindelijk weer een buitenlander minder.” Onthutst besef ik dat het zinloos is ertegen in te gaan en bel mijn collega en meld dat de man is overleden.

We tillen de gestorven man van de grond, nog steeds klampen razende familieleden zich aan hem vast, het geschreeuw is oorverdovend. Respectvol leggen we de man in bed, verwijderen de beademingsbuis en sluiten zijn ogen. Terwijl we zijn lichaam naar een kamer apart rijden, doorkruizen we op de gang zo’n zestig familieleden. Bij de aanblik van hun overleden dierbare ontvlamt het vuur opnieuw.